Van masker naar character sheet - rollenspel voor er rollenspellen waren

New York, 24 januari 2025. In Madison Square Garden, de zaal van Ali tegen Frazier, doven de lichten. Bijna twintigduizend mensen beginnen te juichen. Er komt geen band op. Er komen zes vrienden op, met dobbelstenen, en ze gaan aan een tafel zitten om Dungeons & Dragons te spelen.

Rollenspel als toeschouwerssport voelt als iets van nu. Maar wie de geschiedenis induikt, vindt overal mensen die iemand anders worden zodra het publiek kijkt, of zodra niemand kijkt. Deze hobby heeft twee stambomen. De ene loopt via oorlogsspellen en zandtafels, en die vertelden we in het allereerste hoofdstuk. De andere loopt via het theater, en die is een paar duizend jaar ouder.

Een masker in Athene

Athene, zesde eeuw voor Christus. Tijdens de feesten voor Dionysus zingt een koor verhalen over goden en helden. Volgens de overlevering stapt ergens rond 534 voor Christus een man genaamd Thespis uit dat koor naar voren. Hij zingt niet langer over de held. Met een masker op spreekt hij als de held, in de eerste persoon. Of het precies zo ging weten we niet, maar de Grieken zelf geloofden het graag: naar hem heten acteurs nog altijd thespians.

Dat masker deed iets wat elke spelleider zal herkennen. Het gaf de drager toestemming om iemand anders te zijn, en het publiek toestemming om daarin mee te gaan. De Romeinen maakten er vervolgens een volksvermaak van. In de Atellaanse kluchten speelden gemaskerde spelers vaste typetjes, zoals de gierige oude man en de opschepperige vraat, en improviseerden daar ruwe verhalen omheen. Geen script, wel een rol. Dat recept blijkt taai.

God spelen op een kar

In de middeleeuwen verhuisde het spel naar de straat. Vanaf de veertiende eeuw voerden ambachtsgilden in steden als York bijbelse taferelen op vanaf versierde karren, wagenspelen die van plein naar plein trokken. De rolverdeling was heerlijk letterlijk: de scheepsbouwers van York speelden het bouwen van de ark van Noach. Bakkers, slagers en timmerlieden kropen één dag per jaar in de huid van heiligen, duivels en God zelf.

Daarna werd het abstracter. In de moraliteiten speelden acteurs geen mensen maar begrippen: de Deugd, de Dood, de Vriendschap. Het beroemdste stuk in dat genre komt uit de Lage Landen. Elckerlijc, rond 1495 in Delft gedrukt, laat de Dood een gewone man ophalen die ontdekt dat niemand met hem meegaat behalve zijn Deugd. Het Engelse Everyman is vrijwel zeker een vertaling van onze tekst. Wie vandaag een personage speelt dat Angst of Hoop belichaamt, in welk indie-spel dan ook, staat in een traditie waar Nederland het origineel van leverde.

Dobbelen om een personage

Ondertussen werd er binnenskamers al écht gedobbeld om rollen. In laatmiddeleeuwse Engelse huishoudens speelde men Ragemon le Bon: aan een rol perkament hingen linten, elk lint leidde naar een vers, en het vers dat je trok beschreef jouw karakter en lotsbestemming voor die avond. Het woord rigmarole stamt er waarschijnlijk van af. De bronnen zijn schaars en de spelregels deels giswerk, maar de kern staat: het toeval deelt je een rol uit, en jij maakt er wat van.

De zestiende eeuw maakte er een beroep van. In 1545 tekenden acht mannen in Padua een contract om samen komedie te spelen, het oudst bewaarde bewijs van een professioneel gezelschap. De commedia dell'arte werkte zonder uitgeschreven stuk: een kort scenario aan de muur, vaste maskers als Arlecchino en Pantalone, en verder improvisatie. Elk masker werd echt door één concreet detail en één verlangen. Pantalone is zijn geldbuidel, en zijn doodsangst om hem te verliezen. Wie ooit een personage uit een archetype en een drijfveer heeft opgebouwd, heeft commedia gespeeld zonder het te weten.

De omweg via Wenen

De twintigste eeuw gaf het kind eindelijk een naam. In 1921 opende de Weense psychiater Jacob Moreno zijn Stegreiftheater, theater van de improvisatie, en ontdekte dat mensen die een rol spelen soms meer over zichzelf durven te zeggen dan mensen die zichzelf spelen. Uit zijn psychodrama komt de term die wij dagelijks gebruiken: rollenspel. Viola Spolin goot improvisatie daarna in speelbare oefeningen en Keith Johnstone maakte er in de jaren zeventig een eigen theatervorm van. Improvisatie werd leerbaar, en daarmee speelbaar voor iedereen.

Eerlijk is eerlijk: een rechte lijn van Thespis naar jouw speeltafel bestaat niet. Historici waarschuwen daar terecht voor. Een acteur dient een publiek en kent meestal zijn einde; een speler speelt om te ontdekken hoe het afloopt. De middeleeuwse bakker die God speelde, deed dat uit devotie, niet voor de verhalen. Wat al die eeuwen wél delen is geen bloedlijn maar een terugkerende menselijke aandrang: geef iemand een masker, een typetje of een vers, en er ontstaat vanzelf een verhaal.

De cirkel rond

Daarom voelde die avond in Madison Square Garden zo min als een noviteit. Rollenspel begon als iets om naar te kijken, werd vijftig jaar lang iets om achter een gesloten deur te doen, en is nu allebei tegelijk. Hoe dat kijken terugkwam, via een huiskamer in Los Angeles, is een hoofdstuk op zich. Maar toen het licht doofde en twintigduizend mensen stil werden voor zes vrienden aan een tafel, gebeurde er niets nieuws. Ergens grijnsde een man met een masker. Het koor was eindelijk weer compleet.