Van klaslokaal naar kerker - waar de 20-zijdige dobbelsteen vandaan komt
Pak hem eens op. De twintigzijdige. Voel de vlakken onder je duim, twintig driehoeken die netjes in elkaar passen. Je houdt hem vast voordat je een aanval doet, voordat je over een afgrond springt, voordat je liegt tegen een wacht. Eén worp, en de tafel houdt zijn adem in.
Bijna iedereen die ooit een rollenspel heeft gespeeld kent dat moment. De d20 is het symbool van de hobby geworden. Maar het ding in je hand is geen uitvinding van Dungeons & Dragons. Het was er al lang voordat iemand een kerker betrad. En het kwam niet uit een spelletjeswinkel, maar uit een klaslokaal.
De vorm is ouder dan het spel
De twintigzijdige dobbelsteen is een icosaëder, een van de vijf Platonische lichamen. Wiskundigen beschrijven die vormen al sinds de oudheid. En mensen rolden er ook al mee.
In het Metropolitan Museum in New York ligt een d20 van ongeveer tweeduizend jaar oud. Hij is van steen, met Griekse letters op de vlakken in plaats van cijfers. Niemand weet precies waarvoor de Romeinen en Egyptenaren hem gebruikten. Misschien een spel, misschien een manier om de toekomst te lezen.
De vorm die jij vasthoudt is dus eeuwenoud. Alleen wat we ermee doen is nieuw.
De wiskundeles
Spring naar het begin van de jaren zeventig. De vormen werden toen niet verkocht als speelgoed, maar als lesmateriaal.
Een Amerikaanse onderwijsuitgever, Creative Publications, maakte rond 1972 setjes dobbelstenen gebaseerd op de Platonische lichamen. Bedoeld voor de wiskundeles. Een leerling kon een twaalfvlak in zijn hand houden en voelen wat een dodecaëder nu eigenlijk was. Tastbare meetkunde, geen plaatje in een boek.
Het waren saaie, eenkleurige dingen van zacht plastic. Geen mooie cijfers, geen gewicht dat lekker rolt. Niemand die ze maakte dacht aan draken.
De doos zonder dobbelstenen
Toen Dungeons & Dragons in 1974 verscheen, zaten er geen dobbelstenen in de doos. Drie dunne boekjes, en verder moest je het zelf uitzoeken. Je had stenen nodig met meer dan zes vlakken, en die lagen niet in de speelgoedwinkel om de hoek.
De oplossing kwam via de school. TSR, de uitgever, kocht de setjes in bij de educatieve leverancier en verkocht ze door aan spelers. Zo belandden de meetkundedobbelstenen aan de speeltafel.
Daar zit meteen een rommelig detail. De set bevatte meer stenen dan het spel op dat moment nodig had. In plaats van de overtollige eruit te halen, werd het spel aangepast zodat elke steen een taak kreeg. De d4 voor de schade van een dolk, de d8 voor een zwaardslag, de d12 voor een stevige strijdbijl. Het systeem groeide naar de dobbelstenen toe, niet andersom.
Crayola dice
Wie in de jaren zeventig zo'n set kocht, kreeg geen mooi ding. De cijfers stonden er kaal in, ingeperst maar niet ingekleurd. Je kon ze nauwelijks lezen op een tafel met een kaars erbij.
Spelers losten het zelf op. Je nam een waskrijtje en wreef het over de vlakken, zodat de was in de groeven van de cijfers bleef hangen. Vandaar de bijnaam Crayola dice. Het plastic was bovendien zacht en sleet snel. Een hoek werd rond, en je geluksworp werd er net iets minder eerlijk op.
En er waren er te weinig. Eind jaren zeventig waren de tekorten zo groot dat dozen werden geleverd met kartonnen plaatjes om uit te knippen, als noodoplossing tot je echte stenen kon bestellen.
Een gelukkig ongeluk
Het is verleidelijk om te denken dat iemand de perfecte set bedacht voor het perfecte spel. Zo ging het niet. De dobbelstenen waren er eerder dan de spellen die ze beroemd maakten, en ze waren gemaakt voor een heel ander doel.
Wie precies als eerste besloot de schooldobbelstenen aan de speeltafel te leggen, is niet met zekerheid te zeggen. Verschillende mensen in de vroege wargaming-wereld kwamen er rond dezelfde tijd op uit. Net als bij de geboorte van het spel zelf is er niet één uitvinder, maar een groepje mensen die op elkaars vondsten voortbouwden.
Het mooie is juist dat het toeval was. Een lesmiddel dat per ongeluk een spelmiddel werd, en daarna een symbool.
Waarom het ertoe doet
De dobbelsteen doet iets wat geen verhaal alleen kan. Hij haalt de uitkomst uit jouw handen, en ook uit die van de spelleider. Niemand aan tafel bepaalt of je sprong lukt. De steen bepaalt het. Dat is precies waarom het spannend is.
Denk terug aan hoofdstuk 1. Het spel begon met een verschuiving, van het leger naar de held, van boven het bord naar erin. De dobbelsteen is het gereedschap dat daarbij hoort. Hij geeft die ene held een lot dat niemand stuurt, ook jij niet.
Vandaag is de d20 overal. In metaal, in edelsteen, in hars met bloemen erin gegoten. Mensen herkennen hem van een T-shirt zonder ooit te hebben gespeeld. Hij is het embleem van de hele hobby geworden.
Maar het is nog altijd dezelfde vorm die een Romein ooit in zijn hand hield, en die een schoolkind moest leren herkennen. Pak hem nog eens op. Twintig vlakken, eeuwenoud, en helemaal van jou op het moment dat je hem laat rollen.